Naar de inhoud
Munt, naar de startpagina
Jij en je geld

Een budget maken

Een budget is een plan voor je geld: wat komt erin, wat gaat eruit, en hoeveel zet je opzij om te sparen of te geven.

1e graad12 tot 14 jaarConcept: Nog niet nagelezen door een leerkracht economie.

Waarom

Waarom is je zakgeld altijd al op voor het einde van de maand, terwijl je toch niets groots hebt gekocht?

Kleine uitgaven tellen snel op. Een drankje hier, een snack daar, een app die elke maand een paar euro kost. Zonder plan merk je pas dat je geld op is als je het nodig hebt.

Met een budget beslis je vooraf waar je geld naartoe gaat. Je verdeelt het in potten: uitgeven, sparen en geven. Dan weet je ook hoe lang je moet sparen voor iets wat je graag wilt.

Zie het

Stel je zakgeld per maand in en kies met de schuifjes welk deel je spaart en welk deel je geeft. Kijk hoe de drie potten vollopen en hoeveel maanden je nodig hebt voor de koptelefoon van 120 €.

40,00 €
30 %
10 %
Van 40,00 € per maand gaat 24,00 € naar uitgeven, 12,00 € naar sparen en 4,00 € naar geven. Voor de koptelefoon: 10 maanden sparen.
Beschrijving van het beeld

Een schuifje voor het zakgeld per maand, van 10 € tot 100 €, en twee schuifjes voor het deel dat je spaart en het deel dat je geeft, in procent. Drie potten, uitgeven, sparen en geven, vullen zich met het bedrag dat erin gaat. Onderaan staat een doel: een koptelefoon van 120 €, met het aantal maanden dat je moet sparen om ze te kunnen kopen.

Snap het

Een budget begint met twee lijstjes. Je inkomsten: alles wat binnenkomt, zoals zakgeld, geld van een studentenjob of een cadeau. Je uitgaven: alles wat buitengaat. Trek je de uitgaven af van de inkomsten, dan zie je wat er overblijft.

Bij de uitgaven maak je een verschil tussen vaste en variabele kosten. Vaste kosten zijn elke maand hetzelfde, zoals een gsm-abonnement of het lidgeld van de sportclub. Variabele kosten veranderen, zoals snacks, een uitstap of een cadeau voor een vriend. Vaste kosten zet je eerst opzij, want die moet je hoe dan ook betalen.

Een handige manier is werken met potten. Je verdeelt je geld in procenten: bijvoorbeeld 70 % om uit te geven, 20 % om te sparen en 10 % om te geven aan een goed doel of aan iemand die het nodig heeft. Spaar je eerst, op het moment dat je geld krijgt, dan lukt het veel beter dan sparen wat er op het einde nog overblijft.

Spaar je voor een doel, dan deel je het bedrag van je doel door wat je elke maand spaart. Kom je niet op een rond getal uit, dan rond je naar boven af. Een halve maand sparen is niet genoeg: na die maand heb je het geld nog niet helemaal.

Let op met week en maand. Een maand telt iets meer dan 4 weken. In een jaar zitten 52 weken en 12 maanden. Krijg je zakgeld per week, dan reken je voor een jaar met 52 weken, niet met 4×12=48.

De regel

over=inkomsten−uitgaven. Een pot is een deel in procent van je inkomen. maanden=doel:spaarbedragpermaand, naar boven afgerond.

Uitgewerkt voorbeeld

Mats krijgt 40 € zakgeld per maand. Hij spaart 25 % en geeft 10 %. Hoeveel gaat er in elke pot? Hoeveel maanden spaart hij voor een koptelefoon van 120 €?

  1. De spaarpot krijgt 25 % van 40 €.

    40,00 €×25:100=10,00 €

  2. De geefpot krijgt 10 % van 40 €.

    40,00 €×10:100=4,00 €

  3. De rest gaat naar de uitgeefpot.

    40,00 €−10,00 €−4,00 €=26,00 €

  4. Deel het doel door het spaarbedrag per maand.

    120,00 €:10,00 €=12

  5. Antwoord

    Sparen 10,00 €, geven 4,00 €, uitgeven 26,00 €. Na 12 maanden kan Mats de koptelefoon kopen.

Doe het

Kies een niveau. Je krijgt telkens een nieuwe opgave, die meteen nagekeken wordt. Bedragen tot op de cent.

Oefenen

Jonas krijgt 50,00 € zakgeld per maand en wil het verdelen over de weken. Hoeveel is dat per week? Reken met 4 weken in een maand.

Jonas krijgt 50,00 € zakgeld per maand en wil het verdelen over de weken. Hoeveel is dat per week? Reken met 4 weken in een maand.
€

Typ een bedrag, bijvoorbeeld 12,50. Het euroteken mag, maar hoeft niet.

Valkuilen

  • Fout: Ik spaar wel wat er op het einde van de maand overblijft.

    Meestal blijft er dan niets over. Kleine uitgaven slokken het geld op voor je het merkt.

    Juist: Zet je spaargeld opzij zodra je zakgeld krijgt. Dan pas geef je de rest uit.

  • Fout: Ik heb 10 € nodig en spaar 3 € per maand, dus na 3,33 maanden heb ik het.

    Na 3 maanden heb je pas 9 €. Een deel van een maand bestaat niet bij sparen.

    Juist: Rond het aantal maanden altijd naar boven af: hier 4 maanden.

  • Fout: 5 € per week is 20 € per maand, dus 240 € per jaar.

    Een jaar heeft 52 weken, niet 48. Met 4 weken per maand vergeet je er 4.

    Juist: Per jaar is het 52×5 €=260 €.

In het echt

  • De Chiro of de scouts krijgt een budget voor het kamp. De leiding zet eerst de vaste kosten opzij, zoals de huur van de kampplaats en de bus, en verdeelt daarna de rest over eten en activiteiten.
  • Sommige scholen laten een meerdaagse schoolreis in schijven betalen. Zo kan een gezin elke maand een stukje opzij zetten.
  • Met een studentenjob in de zomer verdien je in een paar weken veel geld. Een budget helpt om dat over het hele jaar te spreiden.
  • Wie op kot gaat, krijgt vaak een vast bedrag per maand voor eten en boodschappen. Met een weekbudget kom je de maand rond.

Geschiedenis

Op 1 januari 2002 kwamen de euromunten en eurobriefjes in omloop. Daarvoor maakten Belgische gezinnen hun budget in Belgische frank. Voor 1 euro kreeg je 40,3399 frank. Lange tijd rekenden mensen prijzen nog in hun hoofd om naar frank, om te voelen of iets duur was.

Aan tafel

Welke vaste kosten betalen we thuis elke maand, en welke kosten veranderen van maand tot maand?

Een vraag om samen over te praten, voor ouders en jongeren. Er is geen fout antwoord.

Fout gezien?

Een paar woorden is genoeg. We kijken het na en passen het aan.

Zoeken

Even laden…

Leesgemak

Kies wat helpt. Je keuze blijft bewaard op dit toestel.

Tekstgrootte

Gebruik je liever de instellingen van je toestel (zoom, schermlezer, donkere modus)? Die werken hier ook gewoon.